Diensten JPR Advocaten Actueel
 

Nieuwsbrief Arbeidsrecht - Kledingvoorschriften

In onze multiculturele samenleving roept het dragen van uiterlijke “onderscheidingstekens” en lichaamsversieringen regelmatig heftige discussies op. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan de Islamitische hoofddoek, het Christelijke kruis en het Joodse keppeltje. Maar ook het dragen van piercings, zichtbare tattoo’s , sportschoenen en hanenkammen leidt tot veel discussies. Uit een recent onderzoek namens de FNV blijkt dat 1 op de 5 jongeren op het werk wel eens is aangesproken op het uiterlijk! Vaak overigens zonder dat werkgever richtlijnen of een reglement kent ten aanzien van kleding en/of uiterlijk.

Er lijkt relatief weinig aandacht voor deze kwesties, maar toch wordt er met enige regelmaat over geprocedeerd. Hierbij kan worden gedacht aan het wel/niet dragen van een baard (Mc Donalds), het dragen van bermuda’s door mannen (TNT Post, openbaar vervoer), alsook het dragen van meerdere oorbellen/piercings (kinderopvang) en het dragen van een hoofddoekje (onderwijs, rechterlijke macht).

Belang van schriftelijke vastlegging
Sommige werkgevers hanteren in hun onderneming voorschriften met betrekking tot kleding en uiterlijk. Er zijn echter ook veel werkgevers die niet dergelijke voorschriften kennen, maar wel individuele werknemers aanspreken op hun kleding en/of uiterlijk. In dat geval ligt willekeur al snel op de loer.
Als werkgever hecht u veel belang aan de representativiteit van uw personeel. Ook veiligheid en hygiëne kunnen eisen stellen aan de kleding van uw personeel (kok, verzorgend personeel). De vraag is echter in hoeverre u als werkgever met het stellen van kledingvoorschriften kunt gaan, zonder het risico te lopen dat u wordt beschuldigd van discriminatie, willekeur en/of slecht werkgeverschap. Een werkgever is gerechtigd tot het geven van voorschriften met betrekking tot kleding en uiterlijk. Maar deze bevoegdheid is niet onbegrensd.

Inhoud van schriftelijke vastlegging
Als hoofdregel kan gelden dat de werknemer in beginsel gehouden is gehoor te geven aan dergelijke opdrachten van de werkgever. Dit kan echter anders zijn, indien een kledingvoorschrift effect heeft op het privéleven van de werknemer.

In de literatuur is algemeen aanvaard dat het uitvaardigen van kledingvoorschriften inbreuk maakt op de grondrechten (bijvoorbeeld: vrijheid van meningsuiting, godsdienstvrijheid, non-discriminatie etc.) van de werknemer.
Bij het vaststellen van voorschriften terzake kleding zal de werkgever dan ook de grondrechten van zijn personeel moeten respecteren. Bovendien moeten de voorschriften noodzakelijk zijn (noodzakelijkheid), evenredig zijn (proportionaliteit) en kan het door de werkgever gewenste doel niet op een andere, minder belastende wijze worden bewerkstelligd (subsidiariteit). In alle gevallen dient voorop te staan dat de werkgever een objectieve rechtvaardigingsgrond dient te hebben tot bijvoorbeeld een verbod op het dragen van hoofddoekjes, crucifixen en keppeltjes. Zwaarwegende redenen kunnen hygiëne, doelmatigheid, veiligheid en huisstijl zijn. Daarbij blijkt ook uit de rechtspraak dat voor een redelijke en billijke afweging verschillende factoren van belang zijn voor het uiteindelijke oordeel. Hierbij dient meer specifiek te worden gedacht aan de aard en plaats van vestiging van het bedrijf, de klantenkring, de functie van de werknemer, de noodzakelijkheid en maatschappelijke opvattingen.

De werknemer heeft de mogelijkheid om een en ander te laten toetsen door de rechter en/of door de Commissie Gelijke Behandeling (hierna: CGB). De CGB kan op schriftelijk verzoek onderzoeken of de werkgever (verboden) onderscheid maakt (discriminatie). De CGB dient alsdan te oordelen of het onderscheid gerechtvaardigd is. Het oordeel van de CGB bindt partijen echter niet. Een procedure bij de CGB is ook niet verplicht voor het starten van een gerechtelijke procedure. Het is overigens zelfs mogelijk om tegelijkertijd een procedure bij de CGB en bij de Rechter te doorlopen.

Indien u als werkgever kledingvoorschriften van belang acht, dient u deze op schrift te stellen en vervolgens binnen de onderneming kenbaar te maken. Het voorschrijven van bedrijfskleding valt, in beginsel, onder het instructierecht van de werkgever (artikel 7:660 BW). Indien dergelijke kledingvoorschriften volgen uit het oogpunt van hygiëne en veiligheid, dient de ondernemingsraad (hierna: OR) of personeelsvertegenwoordiging hierover te worden geraadpleegd (instemmingsrecht). Dit geldt echter in beginsel niet voor kledingvoorschriften uit een ander oogpunt. In dat geval is er, in beginsel, geen sprake van een instemmingsrecht. Hierover bestaat echter nog wel eens discussie. Overigens getuigt het zonder meer van goed werkgeverschap als de werkgever over kledingvoorschriften vooraf overleg voert met zijn werknemers of zijn vertegenwoordiging. Enkele CAO’s kennen zelfs een verplichting tot overleg!

Afsluitende opmerkingen
Ter vermijding van een conflict met personeel en/of OR kan er bijvoorbeeld ook gekozen worden voor een minder verstrekkend kledingvoorschrift. Hierbij kan gedacht worden aan het toestaan van hoofddoekjes, doch alleen uniforme doekjes met bedrijfslogo etc..

Indien de kledingvoorschriften objectief gerechtvaardigd zijn, en ook de toetsen van proportionaliteit en subsidiariteit hebben doorstaan, kan men desalniettemin geconfronteerd worden met een werknemer die de kledingvoorschriften totaal in de wind slaat. De vraag is dan hoe daarmee zou moeten worden omgegaan. Hierbij dienen de bijzonderheden van de kwestie bekeken te worden. Wat was de reden van de onderneming voor deze kledingvoorschriften, maar ook de reden voor de werknemer voor de weigering?

In de rechtspraak ziet men ontslag ook nog wel eens passeren. Er moet op grond van diezelfde rechtspraak wel sprake zijn van zeer zwaarwegende omstandigheden wil een ontslag om deze reden slagen! Hierover moet niet te lichtvoetig worden gedacht. Bekeken zou echter ook kunnen worden of overplaatsing naar een andere functie mogelijk is. Bijvoorbeeld een functie met minder/geen klantencontact.

Indien u voorziet dat een discussie omtrent kledingvoorschriften en uiterlijk gaat ontstaan, kunt u uiteraard ten allen tijde contact opnemen voor een advies voor uw specifieke bedrijf en situatie.

Renate Kroeze
JPR advocaten Enschede


Printbare versie