Diensten JPR Advocaten Actueel
 

Nieuwsbrief Arbeidsrecht - Seksuele intimidatie en bewijslastverdeling

S. van der Vegt

Op 3 oktober 2006 is de Wet tot wijziging van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen en het Burgerlijk Wetboek ter uitvoering van Richtlijn 2002/73/EG (hierna: de wet) aangenomen door de Eerste Kamer. Op 17 oktober 2006 is de wet gepubliceerd in het Staatsblad.


In diverse media zijn berichten verschenen over de wet die met name zou strekken tot omkering van de bewijslast bij seksuele intimidatie. Deze berichtgeving behoeft enige nuancering. In dit artikel wordt stilgestaan bij de gevolgen van de invoering van de wet.

Sinds 1994 rust op de werkgever de wettelijke verplichting om een beleid te voeren gericht op het beschermen van werknemer tegen seksuele intimidatie. Deze verplichting is vastgelegd in de Arbeidsomstandighedenwet (Arbowet).
De belangrijkste punten van dit beleid zijn:

  • het geven van voorlichting;
  • het aanstellen van een vertrouwenspersoon;
  • het instellen van een klachtenprocedure;
  • aandacht voor de risico’s verbandhoudende met seksuele intimidatie in de risico-inventarisatie;
  • aandacht voor de risico’s verbandhoudende met seksuele intimidatie in de risico-evaluatie.

Komt de werkgever zijn verplichtingen niet na dan kan de arbeidsinspectie een boete opleggen. Naast een eventuele boete kan de werkgever worden geconfronteerd met bijvoorbeeld een vordering tot schadevergoeding door de werknemer of een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst gekoppeld aan een ontbindingsvergoeding.

De wet stimuleert werkgevers een actiever beleid te gaan voeren gericht op het voorkomen van seksuele intimidatie op de werkvloer. Met de invoering van de wet is zowel in de wet gelijke behandeling mannen en vrouwen (WGB) als in het Burgerlijk Wetboek (BW) seksuele intimidatie geschaard onder het verbod op het maken van onderscheid tussen mannen en vrouwen. Door het verbod op seksuele intimidatie op te nemen in de WGB en art. 7:646 BW, is de bewijsregel van art. 6a WGB en art. 7:646 BW, ook van toepassing geworden op gevallen van seksuele intimidatie.

Toegepast op seksuele intimidatie houdt deze bewijsregel in dat het slachtoffer feiten dient aan te voeren die het vermoeden opleveren dat er sprake is van seksuele intimidatie. Indien dit vermoeden wordt aangenomen, moet de werkgever bewijzen dat hij zijn zorgplicht is nagekomen en niet heeft gehandeld in strijd met het beginsel van gelijke behandeling op de werkvloer. De enkele stelling van de werknemer dat sprake is van seksuele intimidatie is niet voldoende. Aan de stelplicht van werknemer worden in dit verband zwaardere eisen gesteld. De werknemer moet tenminste feiten en omstandigheden stellen waaruit het vermoeden van seksuele intimidatie volgt. Verlangd zal ook mogen worden dat een eventuele klacht is ingediend en dat de problematiek in een voorkomend geval is gemeld. Pas dan verschuift de bewijslast naar de werkgever en kan worden gesproken over een omkering van de bewijslast.

Vordert een werknemer schadevergoeding en slaagt de werkgever er niet in te bewijzen dat hij zijn zorgplicht is nagekomen, dan wordt in de regel het oorzakelijk verband tussen de seksuele intimidatie en de geleden schade aangenomen. In gevallen van beroepsziekten is het (heel kort gezegd) vaste rechtspraak dat het oorzakelijke verband tussen de schade en het werken met gevaarlijke stoffen wordt aangenomen, indien de werkgever niet heeft voldaan aan zijn zorgplicht.

De materiële verplichtingen van de werkgever om te voorkomen dat seksuele intimidatie op de werkvloer voorkomt, veranderen met de invoering van de Wet overigens niet. Wel wordt met de invoering van de Wet een nieuwe definitie van het begrip seksuele intimidatie vastgelegd, die anders luidt dan de definitie opgenomen in de Arbowet:
‘Onder seksuele intimidatie wordt verstaan enige vorm van verbaal, non-verbaal of fysiek gedrag met een seksuele connotatie dat als doel of gevolg heeft dat de waardigheid van de persoon wordt aangetast, in het bijzonder wanneer een bedreigende, vijandige, beledigende, vernederende of kwetsende situatie wordt gecreëerd.’

In de literatuur wordt geklaagd dat de wet doorschiet. Inderdaad kan de werkgever gemakkelijk in een lastig parket belanden. Als een collega als dader wordt aangewezen ontstaat een probleem: stel de werkgever kan niet bewijzen dat hij zijn zorgplicht is nagekomen en de geïntimeerde werknemer wordt een vergoeding toegekend. Vervolgens zal de werkgever maatregelen jegens de dader willen nemen, maar in die rechtsverhouding wordt de bewijslast niet omgekeerd! Gevolg: de dader gaat vrijuit.

Of het zo’n vaart gaat lopen valt nog te bezien. De werkgever doet er in elk geval goed aan het hiervoor omschreven beleid vorm te geven.

24 november 2006 

 

Printbare versie