Diensten JPR Advocaten Actueel
 

Nieuwsbrief Arbeidsrecht - Praktische gang van zaken bij meningsverschil over arbeidsongeschiktheid

Mevrouw mr. S.J.E. (Sanne) van Bergen, advocaat bij JPR Advocaten te Groenlo

Afwezigheid van een werknemer door ziekte levert in de praktijk dikwijls problemen op voor de ondernemer. Het aantal uitspraken van kantonrechters dat met arbeidsongeschiktheid te maken heeft, is groot. In veel van de ziektegevallen komt de verhouding tussen werkgever en werknemer onder druk te staan. Omdat de werkgever moet doorbetalen terwijl daar geen prestatie tegenover staat, wenst hij dat de werknemer alle medewerking verleent om zo snel mogelijk weer aan de slag te gaan. Als de werkgever daarbij het vermoeden krijgt dat de werknemer niet echt ziek is, kan het lontje snel kort worden. In zo’n gespannen situatie is het risico vergroot dat u als werkgever de fout ingaat, doordat u de wettelijke regels niet goed naleeft. Althans de (kanton)rechter die regels op basis van de huidige rechtspraak anders toepast dan u zich had voorgesteld.

Probleemstelling
Één van de veel voorkomende conflictsituaties betreft die waarin partijen verdeeld blijken over het antwoord op de vraag of een werknemer vanaf een bepaalde datum wegens ziekte al dan niet in staat was zijn werkzaamheden (geheel of gedeeltelijk) te verrichten. De discussie over de verschuldigdheid van loon houdt dan de gemoederen bezig. Vooral als het, zoals dikwijls, om situatieve arbeidsongeschiktheid gaat. In die situatie doet zich de concrete vraag voor: Mag een werkgever afgaan op het oordeel van de bedrijfsarts over al of niet – gedeeltelijke – arbeids(on)geschiktheid van een werknemer?

De spelregels
De werkgever die van mening is dat een werknemer niet (of niet langer) arbeidsongeschikt is wegens ziekte, zal de doorbetaling van loon kunnen staken. De werkgever zal hierbij doorgaans handelen op advies van de bedrijfsarts (van de gecontracteerde arbodienst). Conclusies trekken uit eigen of andermans waarneming moet sterk worden ontraden. Het verdient aanbeveling de werknemer schriftelijk te laten weten dat, en waarom, hij als hersteld wordt beschouwd en met ingang van welke datum. Daarbij kan worden aangegeven dat de werknemer stopzetting van de loonbetaling riskeert als hij niet aan het werk gaat. De kans is groot dat de werknemer het werk zal hervatten; de loonbetaling zal dan uiteraard ook voortgezet worden. Als de werknemer van mening is dat hij ziek (of: nòg ziek) is, en om die reden het werk niet wil hervatten, is de werkgever gerechtigd om de loonbetaling te beëindigen al is het altijd de rechter die achteraf oordeelt of dat juist was. Het is verstanding in zo’n geval te verifiëren of het medisch oordeel van de bedrijfsarts waar de werkgever op afgaat (namelijk dat de werknemer niet – of niet langer – wegens ziekte ongeschikt is tot werk) zorgvuldig tot stand gekomen is. Dit kan eventueel reden zijn de beslissing om de loonbetaling te staken nog eens in overweging te nemen. Wordt besloten de loonbetaling stop te zetten, dan is het aan de werknemer om hiertegen stappen te ondernemen. De werknemer zal dit in eerste instantie doen door een deskundigenoordeel te vragen bij het UWV, een ‘second opinion’. Dit is een geneeskundige verklaring van een verzekeringsarts van het UWV over de vraag of de werknemer wegens ziekte geschikt of ongeschikt is voor zijn eigen werk en bij gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid tevens over de beperkingen en de mogelijkheden van de werknemer. De bedoeling is dat het UWV vrij snel beoordeelt of arbeidsongeschiktheid bestaat; er bestaat geen wettelijke termijn waarbinnen de verklaring moet worden afgegeven. Het probleem is echter dat een beslissing van het UWV vaak erg lang op zich laat wachten, zodat een werkgever na maanden met een omvangrijke loonvordering kan worden geconfronteerd over de periode liggende tussen de datum van ziekmelding en afgifte van de second opinion.

Nadat de second opinion is gegeven, komt er opnieuw een moment van heroverweging, zowel voor de werknemer als voor de werkgever. In de praktijk komt het regelmatig voor dat het oordeel van het UWV en de bedrijfsarts tegenover elkaar staan. Welk oordeel gevolgd zal worden, is aan de rechter in een loonprocedure. De werknemer zal moeten afwegen of hij de zaak aan de kantonrechter voorlegt. De werkgever zal zijn besluit tot loonstopzetting moeten heroverwegen. De second opinion is een vingerwijzing voor de uitkomst van de juridische procedure, maar de rechter is vrij het deskundigenoordeel naast zich neer te leggen.

Huidige rechtspraak

  1. In de meeste gevallen weegt de second opinion zwaar en volgt de rechter het oordeel van het UWV omdat het een onafhankelijk en onpartijdig oordeel betreft. Zo heeft het Hof ’s Gravenhage vrij recent op die grond geoordeeld dat het oordeel van de verzekeringsarts van het UWV de doorslag geeft. Op het hoger beroep van de werknemer overweegt het Hof dat nu de deskundige van het UWV anders dan de bedrijfsarts onafhankelijk is, te verwachten is dat de rechter in de bodemzaak meer waarde zal hechten aan het oordeel van de onafhankelijke deskundige dan aan dat van de bedrijfsarts. Overigens zij opgemerkt dat een autoriteit op dit gebied zich over deze uitspraak kritisch toont.
     
  2. Daarnaast is huidige rechtspraak dat aan een second opinion van het UWV niet zonder meer doorslaggevende betekenis toekomt. Regelmatig komt het voor dat de verzekeringsarts van het UWV zijn deskundigenoordeel (dat niet bindend is en waartegen geen beroep kan worden ingesteld) velt zonder de werkgever en/of bedrijfsarts te raadplegen. Dat kan voor de rechter reden zijn het oordeel van de bedrijfsarts belangrijker te achten dan het oordeel van het UWV, zoals blijkt uit recente uitspraken. Zo oordeelde de Kantonrechter Haarlem dat een deskundi-genoordeel van het UWV niet zonder meer terzijde kan worden gelegd als het afwijkt van het oordeel van de bedrijfsarts. Dat zou het aanvragen van een deskundigenoordeel, waarvan het doel is het verkrijgen van een onafhankelijk en onpartijdig oordeel, zinledig maken. Wil een deskundigenoordeel opzij gelegd kunnen worden omdat het afwijkt van het oordeel van de bedrijfsarts, dan zijn bijkomende omstandigheden nodig. In onderhavig geval is daarvan sprake.
     
  3. Bovendien kan ook het oordeel van de behandelende sector een rol spelen bij het oordeel van de rechter. Een valide (uitvoerige en gespecificeerde) verklaring van een huisarts of behandelend specialist kan voor de werknemer zeker gewicht in de schaal leggen (en zelfs een gelijkluidend oordeel van bedrijfsarts en verzekeringsarts, die de werkgever in zijn standpunt steunt, terzijde leggen). Ook recent moge weer blijken uit een uitspraak van de Kantonrechter Zaandam dat niet een second opinion de doorslag moet geven bij de vraag of de werknemer (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt is, maar ook andere deskundigenverklaringen, zoals die van de behandelende sector, van belang zijn bij de vraag of er sprake is van arbeidsongeschiktheid. Werkneemster meldde zich ziek (psychisch), maar de bedrijfsarts achtte haar tot tweemaal toe arbeidsgeschikt. Werkneemster kwam niet op het werk, waarop de loonbetaling werd stopgezet. Werkneemster vroeg een second opinion aan. De verzekeringsarts van het UWV oordeelde, pas maanden later, dat werkneemster op de datum van de ziekmelding niet in staat was haar werk volledig uit te oefenen. De rechter oordeelde op grond van het oordeel van het UWV en de behandeld psycholoog, en ook op grond van de indruk die hij zelf ter zit-ting van de werkneemster had gekregen, dat werkneemster niet in staat moet worden geacht vanaf haar ziekmelding haar werk uit te voeren. Dat laatste is opmerkelijk, nu die zitting bijna een jaar na de ziekmelding plaatsvond. Zelfs voor een arts is het lastig om achteraf vast te stellen of de werknemer op de datum van ziekmelding wel of niet ziek was. Het tegengestelde oordeel van de bedrijfsarts, die kennelijk niet van een psychische aandoening wilde weten, doet hieraan volgens de rechter niet af.

Conclusie, lering en advies
In principe mag een werkgever afgaan op het oordeel van de bedrijfsarts over (gedeeltelijke) arbeids(on)geschiktheid van een werknemer, maar achteraf kan een deskundigenoordeel van het UWV anders luiden, hetgeen soms aanzienlijke loonbetaling- of re-integratiegevolgen kan hebben. De lering die in het bijzonder uit de besproken uitspraken kan worden getrokken is dat een werkgever niet blind mag varen op het oordeel van de bedrijfsarts. Hij zal moeten anticiperen op een andersluidend oordeel van het UWV, de behandelde sector, of zelfs de indruk van een kantonrechter. Een zorgvuldige afweging voorafgaand aan het besluit tot (voortzetting van de) loonstaking aan de hand van de hierboven besproken uitgangspunten uit de rechtspraak is dus geboden. Wij dienen u daarbij graag van advies.

 

Printbare versie