Nieuwsbrief Arbeidsrecht - Aanpassingen kantonrechtersformule
Utrecht, 30 oktober - Het rekenmodel dat kantonrechters hanteren voor de
toekenning van vergoedin-gen bij de ontbinding van arbeidsovereenkomsten
wordt gewijzigd. Dit heeft de Kring van Kantonrech-ters vanmiddag in
Utrecht besloten. Volgens de kantonrechters is de uit 1996 stammende
formule toe aan een “update”. Belangrijkste wijzigingen zijn:
- een andere berekening van de dienstjaren
- meer aandacht voor de arbeidsmarktpositie van de werknemer en de
financiële positie van de werkgever
- meer maatwerk voor werknemers, die in het zicht van pensionering zijn
- verduidelijking van de vergoedingsregeling bij korte dienstverbanden.
Naar verwachting zal vanaf 1 januari 2009 met deze aanbevelingen gewerkt
gaan worden.
De kantonrechtersformule is een rekenmodel dat door de Kring van
Kantonrechters zelf is ontwikkeld voor de toekenning van vergoedingen bij
ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Volgens de wet kunnen
kantonrechters bij ontbinding van de arbeidsovereenkomst een vergoeding
naar billijkheid toekennen, doorgaans aan de werknemer. Doel van de
kantonrechtersformule is meer eenheid te brengen in de manier, waarop de
kantonrechters de vergoeding berekenen. De kantonrechtersformule is
overigens niet bindend: het gaat om een aanbeveling van beroepsgenoten aan
beroepsgenoten.
Volgens de huidige formule wordt de vergoeding berekend door het aantal
dienstjaren (factor A) te vermenigvuldigen met het bruto maandsalaris
(factor B) en met een factor C, waarin de bijzondere omstandigheden van
het geval zijn uitgedrukt in een cijfer. Het cijfer is in beginsel 1, als
de reden voor de beëindiging van het dienstverband niet aan één van beide
partijen te verwijten valt en niet in de risicosfeer van de werknemer valt
en zich verder geen bijzondere omstandigheden voordoen. In de praktijk
schommelt die C meestal tussen 0 en 2.
Berekening dienstjaren
De eerste verandering betreft de berekening van het aantal dienstjaren
(factor A). Tot nu toe tellen de dienstjaren bij de betreffende werkgever
tot de leeftijd van 40 jaar voor 1, van 40 tot 50 voor 1½ en vanaf 50 jaar
voor 2. Er is voor de toekomst gekozen voor een verdere differentiatie
waarbij de dienst-jaren tot de leeftijd van 35 jaar tellen voor ½, van 35
tot 45 jaar voor 1, van 45 tot 55 jaar voor 1½ en vanaf 55 jaar voor 2.
Daarmee wordt beoogd meer aansluiting te zoeken bij de verbeterde
arbeids-marktpositie van jongeren, maar met behoud van de bescherming van
de oudere werknemer.
Arbeidsmarktpositie en financiële positie
Op de tweede plaats willen de kantonrechters in de C-factor meer aandacht
geven aan bijzondere omstandigheden, die nu soms wat onderbelicht blijven.
Het gaat daarbij vooral om de arbeidsmarkt-positie van de werknemer en de
financiële positie van de werkgever.
Een werknemer, die door zijn werkgever in staat is gesteld door cursussen
en dergelijke zijn kennis bij te houden en uit te breiden, heeft een
steviger positie op de arbeidsmarkt – en heeft minder financiële
bescherming nodig – dan zijn collega, die die gelegenheid niet heeft
gehad.
Een werknemer, die werkzaam is in een branche met een groot gebrek aan
personeel, heeft minder bescherming nodig dan een werknemer in een sector,
waarin al veel werkloosheid heerst.
Met de financiële positie van de werkgever willen de kantonrechters meer
dan nu rekening houden, als de werkgever met jaarstukken en onderbouwde
prognoses kan aantonen dat een volgens de for-mule berekende vergoeding
voor hem onbetaalbaar is.
Oudere werknemers
De derde verandering betreft de werknemer, voor wie het pensioen al in
zicht komt. In de “oude” aan-beveling staat, dat de vergoeding niet hoger
zal zijn dan de verwachte inkomstenderving tot de pensi-oengerechtigde
leeftijd. Die aanbeveling is moeilijk werkbaar geworden, omdat het begrip
pensioenge-rechtigde leeftijd niet meer als voorheen samenvalt met 65
jaar. Bij de bepaling van de vergoeding zal voor deze werknemers rekening
worden gehouden met de leeftijd waarop zij naar verwachting met pensioen
zouden zijn gegaan als de ontbinding er niet tussendoor was gekomen.
Korte dienstverbanden
Ten slotte is voor arbeidsovereenkomsten die binnen 2 jaar worden
ontbonden een afzonderlijke rege-ling opgenomen. In geval van een
overeenkomst voor bepaalde tijd zonder tussentijdse opzegmoge-lijkheid is
de vergoeding in beginsel gelijk aan het salaris over de resterende tijd.
In alle andere geval-len wordt de vergoeding op de normale wijze berekend.
De Kring van Kantonrechters ziet in het te verwachten wetsvoorstel van
Minister Donner over de maximering van de ontbindingvergoeding voor de
hoogste salarisgroep (€ 75.000 en hoger) geen reden de actualisering van
haar formule op te schorten. De uitkomst van de parlementaire behande-ling
is nog ongewis. Op het moment dat het wetsvoorstel wet wordt, gaat voor
díe salarisgroep het wettelijk maximum gelden.
Bron: Centrale redactie rechtspraak.nl
Datum actualiteit: 30 oktober 2008
Printbare versie
|