Diensten JPR Advocaten Actueel
 

Nieuwsbrief Personen- & Familierecht januari 2008

KINDERALIMENTATIE
Het komt nogal eens voor dat kinderalimentatie niet bepaald wordt op het bedrag dat nodig is om de kosten van de kinderen te dekken maar op het bedrag dat minimaal nodig is om in aanmerking te komen voor de forfaitaire aftrek kinderalimentatie, € 133,-- per maand.

Het vaststellen van partneralimentatie geniet soms de voorkeur boven kinderalimentatie. Kinderalimentatie is weliswaar niet belast, maar over partneralimentatie betaalt de alimentatiegerechtigde vanwege diverse heffingskortingen meestal ook weinig belasting en voor de alimentatieplichtige is kinderalimentatie slechts forfaitair aftrekbaar terwijl partneralimentatie volledig aftrekbaar is.

Wanneer uit het convenant niet blijkt wat de behoefte van de kinderen is kan de alimentatiegerechtigde voor vervelende verassingen komen te staan. Het komt immers voor dat de alimentatiegerechtigde haar recht op partneralimentatie verliest bijvoorbeeld doordat zij een hoger eigen inkomen gaat verwerven of zij gaat samenwonen met een nieuwe partner. In zo’n geval kan het wel eens moeilijk worden om de kinderalimentatie weer te brengen op het niveau dat overeenkomt met de werkelijke behoefte van de kinderen. Wij raden daarom aan om de behoefte van de kinderen altijd schriftelijk vast te leggen.

Voor het bepalen van de behoefte van de kinderen wordt in de praktijk gebruik gemaakt van de tabel Kosten van Kinderen, die is gebaseerd op CBS studies, waaruit is gebleken dat gezinnen in het algemeen een bepaald percentage van hun netto-inkomen spenderen aan de kinderen.

Sinds wijzigingen in deze tabel in 2006 kan de behoefte van een kind op dit moment oplopen tot wel € 795,-- per maand. Bij het gebruik van de tabel wordt uitgegaan van het voormalig netto-gezinsinkomen. Is de behoefte (en de kinderalimentatie) eenmaal vastgesteld dan heeft een daling van het inkomen van de alimentatieplichtige geen gevolgen voor de behoefte van het kind. Het welvaartsniveau ten tijde van het huwelijk blijft derhalve bepalend voor de kosten van de kinderen. Echter indien het inkomen van de alimentatieplichtige, nadat de alimentatie eenmaal is vastgesteld het voormalig gezinsinkomen overstijgt, dan wordt de behoefte van de kinderen hoger. De kinderen zouden immers ook hebben geprofiteerd van de verhoging van het inkomen, indien het huwelijk zou hebben voortgeduurd.

Is de behoefte van de kinderen bekend, dan komt vervolgens de vraag aan de orde of de onderhoudsplichtige over voldoende draagkracht beschikt om de gewenste kinderalimentatie te betalen. In de praktijk blijkt dat een groot deel van de gescheiden ouders allebei beschikken over een inkomen boven bijstandsniveau. In die gevallen moet van beide ouders een draagkrachtberekening worden gemaakt. Aan de hand van de uitkomsten daarvan moet vervolgens vastgesteld worden welke ouder welk deel van de kosten van de kinderen dient te dragen. (Nog) ingewikkelder wordt het wanneer de ouder bij wie de kinderen wonen, gaat hertrouwen of een geregistreerd partnerschap aangaat. In dat geval is er namelijk sprake van een stiefouder. De wet bepaalt dat een stiefouder ook onderhoudsplichtig is jegens de tot zijn gezin behorende kinderen. Aanwezigheid van een stiefouder betekent derhalve drie draagkrachtberekeningen en vervolgens het verdelen van de kosten van de kinderen over de beide onderhoudsplichtige ouders en de onderhoudsplichtige stiefouder. Op de vraag in welke verhouding de behoefte van de kinderen over de beschikbare draagkracht van de beide ouders en de stiefouder moet worden verdeeld is geen eenduidig antwoord te geven. In de rechtspraak is bepaald dat bij het vaststellen van de omvang van de bijdrage rekening gehouden moet worden met de bijzondere verhouding, waarin de ouders en de stiefouder tot het kind staan. De familierechtspecialisten van JPR advocaten informeren u graag nader over de bijzonderheden van deze regeling.

KINDERALIMENTATIE EN CO-OUDERSCHAP
Ook in geval van co-ouderschap is het vaststellen van kinderalimentatie geen eenvoudige zaak.

Bij een co-ouderschapsregeling verblijven de kinderen (nagenoeg) evenveel tijd bij vader als bij moeder. In dat geval rijst de vraag of er nog kinderalimentatie betaald moet worden, en zo ja hoeveel. Er zijn verschillende rekenmethodes die in een dergelijk geval gehanteerd kunnen worden. Hieronder wordt een recente uitspraak van de Rechtbank in Den Haag besproken waarin ιιn van deze methodes wordt gebruikt (Rechtbank Den Haag 26 november 2007, LJN BB8700).

In deze casus waren de ouders co-ouderschap overeengekomen voor hun twee kinderen, maar verschilden zij van mening over de betaling van kinderalimentatie. De vrouw diende een verzoek in bij de Rechtbank tot het vaststellen van een door de man aan haar te betalen bedrag aan kinderalimentatie terwijl de man zich op het standpunt stelde dat nu beide ouders de kinderen de helft van de tijd verzorgden er geen noodzaak bestond om kinderalimentatie te voldoen.

De Rechtbank Den Haag stelde in deze casus –conform de regels van het Tremarapport eerst de behoefte van de kinderen vast. Deze bedroeg € 1.000,-- per maand en werd door de Rechtbank verhoogd met 16% omdat er door het co-ouderschap sprake is van dubbele woonlasten. De behoefte werd dus gesteld op een bedrag van € 1.160,-- per maand.

Daarna is van beide ouders een berekening van hun draagkracht gemaakt. Uit deze berekeningen volgde dat de man een draagkrachtruimte van € 1.433,-- per maand had en de vrouw een draagkrachtruimte van € 100,-- per maand. De vastgestelde behoefte van de kinderen werd naar rato van ieders draagkracht verdeeld. Dit leidde er volgens de berekening van de Rechtbank toe dat de vrouw van de totale kosten ad € 1.160,-- per maand een bedrag van
€ 81,-- voor haar rekening moest nemen en de man € 1.079,--.

Op dit bedrag bracht de Rechtbank nog twee correcties aan. Op het deel van de kosten dat de man voor zijn rekening moest nemen werd het eigen aandeel van de man in de extra kosten van wonen van de kinderen oftewel € 80,-- per maand (de helft van de voornoemde 16%) in mindering gebracht. Voorts mocht de man voor de periode dat de kinderen bij hem verblijven – ongeveer 15 dagen per maand- de kosten van eten en drinken in mindering brengen op de te betalen kinderalimentatie aan de vrouw. Deze kosten werden conform het Tremarapport gesteld op € 5,-- per kind per dag. De Rechtbank bracht dus in totaal € 150,-- in mindering op het hierboven genoemde bedrag van € 1.079,-- dat voor rekening van de man diende te komen en stelde de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie vast op een bedrag van € 849,-- per maand.

ALIMENTATIE VOOR JONGMEERDERJARIGEN
De wet bepaalt dat ouders verplicht zijn te voorzien in de kosten van levensonderhoud en studie van jongeren van 18 tot 21 jaar, de zogenoemde jongmeerderjarigen. Wanneer ouders deze verplichting niet nakomen kunnen jongmeerderjarigen deze aanspraak bij de rechter afdwingen.

Is er kinderalimentatie vastgesteld voor een kind onder de 18 jaar, dan loopt deze verplichting in principe door na de 18e verjaardag van het kind (tot het moment dat deze de 21-jarige leeftijd bereikt) en dient de alimentatie vanaf dat moment niet meer aan de verzorgende ouder, maar aan het kind zelf betaald te worden.

Wanneer de jongmeerderjarige van mening is dat deze bijdrage zijn behoefte niet dekt, dan kan deze zich tot de rechter wenden en een verhoging vragen.

Voor het vaststellen van de behoefte van een jongmeerderjarige zijn geen maatstaven ontwikkeld, zoals bij kinderen het geval is. In de praktijk wordt wel gebruik gemaakt van de budgetten die de Informatie Beheer Groep jaarlijks vaststelt voor levensonderhoud, boeken en andere materialen en de onderwijsbijdrage. Ook kan aansluiting gezocht worden bij de bijstandsnorm voor jongeren. Er zijn ook rechters die toch nog aansluiting zoeken bij de tabel Kosten van Kinderen.

Wanneer een jongmeerderjarige een beroep doet op studiefinanciering wordt door de Informatie Beheer Groep een fictieve ouderbijdrage vastgesteld. Deze ouderbijdrage kan door de jongmeerderjarige gebruikt worden als richtlijn voor zijn behoefte. Het staat de jongmeerderjarige ook vrij om aan te tonen dat zijn behoefte hoger is. In tegenstelling tot wat veel mensen denken heeft de door de IBG vastgestelde fictieve ouderbijdrage echter geen officiλle status. Een ouder is niet verplicht de door de IBG vastgestelde fictieve ouderbijdrage (die alleen aan de hand van het inkomen van de ouders is vastgesteld) te betalen. Wanneer de rechter de zaak beoordeelt wordt net als bij het vaststellen van kinderalimentatie en partneralimentatie gekeken naar de draagkracht van de onderhoudsplichtige ouder en wordt derhalve tevens rekening gehouden met diens lasten.

GEWIJZIGDE CIJFERS PER 1 JANUARI 2008
De door de Minister van Justitie vastgestelde wettelijke indexering per 1 januari 2008 bedraagt 2,2 %.

In de versie van het TREMA rapport van september 2006 worden per 1 januari 2008 weer een aantal wijzigingen doorgevoerd. De belangrijkste wijzigingen vindt u hieronder:

Wijzigingen die het gevolg zijn van de halfjaarlijkse wijzigingen in de bedragen van de Wet Werk en Bijstand :

 

De bijstandsnorm inclusief vakantietoeslag en wooncomponent per maand wordt:
Voor gehuwden: € 1.260,-- dat was € 1.246,--
Voor de alleenstaande ouder: € 1.134,-- dat was € 1.122,--
Voor de alleenstaande: € 882,-- dat was € 872,--

  
Zoals in het eerste artikel is vermeld is het minimumbedrag dat recht geeft op aftrek van uitgaven voor kosten van levensonderhoud van kinderen jonger dan 30 jaar verhoogd van
€ 131 naar € 133 per kind per maand.

De algemene heffingskorting is verhoogd tot € 2.074 zodat een in geval van een niet verdie-nende partner het gezinsinkomen verhoogd dient de worden met € 172,83 per maand (dat was € 170,25 per maand).

De kinderkorting is vervangen door een kindertoeslag die varieert van € 0 tot € 83 per maand voor alle kinderen tezamen.

 

Printbare versie